Posters

Zonder 8 glazen water per dag, krimpen wij

NIET WAAR

“Drink voldoende water!” Ok, dat klopt. Het is belangrijk dat we water opnemen. Onze hersenen bestaan dan ook voor meer dan 75% uit water. Maar dat ze zouden krimpen als we niet elk uur een glas water drinken?… een heel forse overdrijving… Het is inderdaad zo dat als je zeer ernstige vormen van uitdroging ondergaat, dit een effect kan hebben op de werking van de hersenen. Maar het gaat dan om zeer extreme situaties (bv. van mensen die niet meer willen drinken). Het lijkt ons zeer onwaarschijnlijk dat dit ook in je klas zou gebeuren. Kinderen moeten dus niet ‘kunstmatig’ veel water drinken om de vochtigheid van hun hersenen op peil te houden. Ons lichaam weet heel goed wanneer het moet drinken. Wél is het zo dat je bij zeer extreme omstandigheden (bv. bij extreme hitte) moet op letten dat de kinderen voldoende drinken, maar dat beseft elke leerkracht met gezond verstand van nature. Verder kan de regel om veel water te drinken tijdens de lessen enkel zorgen voor verstrooiing (leerlingen zijn even afgeleid) of verstoring (ze moeten dan wel overmatig naar het toilet) van de les.

TAKE HOME

Water is gezond voor onze hersenen, maar geen kind wordt slimmer van overvloedig drinken in de klas.

Wij gebruiken maar 10% van onze capaciteit

NIET WAAR!

Dit is een groot ‘misverstand’. Weet je waar het vandaan komt? De 10%-mythe gaat terug op de manier waarop hersenen getoond wordt in kranten en tijdschriften, met een bepaalde zone die ‘oplicht’ in de hersenen. Op zulke ‘hersenplaatjes’ wordt een bepaalde zone belicht, die dan zogezegd ‘geactiveerd’ wordt. Een beeld op een hersenplaatje is eigenlijk geen foto van de hersenen, maar een statistische ‘reconstructie’ waarmee het verschil in activiteit tussen twee situaties van de hersenen wordt getoond. Onze hersenen zijn immers constant actief! Wat je ziet op de afbeelding is een vergelijking tussen de ‘normale’ actieve situatie en een bepaalde ‘taakconditie’. Tijdens de taak neemt de activiteit lichtjes toe, maar in totaal zijn onze hersenen heel hard aan het werken, en niet maar een luttele 10%. Bepaalde zones zijn tijdens een activiteit meer actief, maar het is niet de enige zone die actief is! We gebruiken dus veel meer dan enkel de deeltjes die je ziet oplichten bij ‘hersenplaatjes’.

 

TAKE HOME

Laat je niets wijsmaken, we gebruiken wel degelijk een groot stuk van onze hersenen, niet enkel die deeltjes die oplichten bij hersenplaatjes!

Een verrijkte omgeving maakt ons slimmer!

Lang geleden ontdekt een onderzoeker (Hebb?) dat de ratten die hij mee naar huis neemt, slimmer waren dan de ratten die hij in zijn labo bestudeerde. Zo vonden de thuisratten sneller hun weg door een labyrint. De ratjes die thuis rondliepen kregen eigenlijk veel meer prikkels, t.o.v. de ratten die in het labo (een kille omgeving) verbleven. Wat bleek, eens de ratjes werden opengesneden en er naar de zenuwbanen werd gekeken, hadden de ratjes met een verrijkte omgeving heel wat meer zenuwverbindingen en vertakkingen. Moet ons klaslokaal en les ook zwaar ‘verrijkt’ worden?

 

Probeer je eens de wereld van een labo-rat voor te stellen. Een kaal labo is natuurlijk niet zijn ‘natuurlijke’, ‘gewone’ omgeving. Eigenlijk wil dat zeggen dat een ‘normale’ omgeving rijk genoeg is. Een verarmde omgeving daarentegen, zal voor een verminderde hersenwerking zorgen.  Nu kan je dus de vraag stellen of een klaslokaal een ‘normale’ omgeving is die dus rijk genoeg is? Wees maar zeker dat heel wat kinderen samen in de klas en een boeiende leerkracht rijk genoeg is en dat je klas volghangen met blitse posters en een fysieke prikkel in elke hoek van het klaslokaal niet hoeft om je klas voldoende rijk en de leerlingen voldoende leerkansen te geven!

 

TAKE HOME

Verrijk je klaspraktijk door in te spelen op de ervaringswereld van je leerlingen, overtollige ‘visuele’ prikkels om je klaslokaal te ‘verrijken’ hoeven echt niet!


Sporten verbetert de communicatie tussen de twee hersenhelften

NIET WAAR

UITLEG: “Ik hou van deze oefeningen, want ze helpen je om je linker- en rechterhersenhelft samen te laten werken.” Zegt een kind op youtube na een portie Brain Gym® (tik Brain Gym en BBC). Dit bewegingsprogramma wordt toegepast op verschillende scholen in Vlaanderen. Het programma beweert ideaal te zijn voor ieder die enigszins te maken heeft met moeilijkheden zoals concentratie, lezen, schrijven, memoriseren, coördinatie, organisatie, zich aanpassen aan veranderde situaties, examens afleggen, enz. Als een bewegingsprogramma met enkele simpele bewegingen zoveel onderwijsproblemen kan aanpakken, hoeft het niet te verbazen dat dit populair is in de onderwijswereld. Maar er schort iets. Hoewel Brain gym® beweert te zijn gebaseerd op hersenonderzoek, maakt het programma eigenlijk enkel gebruik van metaforen die een te snel doorgedreven verband leggen met hersenfunctie. De drie principes waarop het programma zich beroept, zijn eigenlijk al geruime tijd door wetenschappelijk onderzoek afgewezen: hersendominantie of het feit dat onze twee hersenhelften teveel gescheiden zijn en meer zouden moeten samenwerken, neural repatterning of het herleggen van de zenuwbanen in de hersenen door coördinatie-oefeningen en het feit dat je perceptueel-motorische training absoluut nodig is om beter te leren. Dat we meer water moeten drinken om onze hersenen voldoende te bevochtigen is nog zo een neurofabeltje dat toch goed binnenkomt in het onderwijs.  

In de meest voorzichtige benadering kan je zeggen dat bepaalde Brain Gym® bewegingen op zich nuttig kunnen zijn op school, maar het blijft zaak goed te beseffen wat dit programma wel of niet teweeg brengt (en zeker niet te denken dat kinderen hierdoor een betere hersenfunctie ontwikkelen…). Het nut van deze bewegingstussendoortjes ligt waarschijnlijk eerder bij ontspanning en gezondheid dan bij beter cognitieve ontwikkeling door de bewegingen op zich. Zo is het goed mogelijk dat bewegingstussendoortjes de eentonigheid van lessen doorbreken en dat dit dan het leren ten goede komt, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat kinderen daarom specifieke en soms ongewone coördinatie-oefeningen moeten doen. Het programma helpt in dezelfde zin misschien om stress te vermijden in de lijn van ademhalingsoefeningen en yoga, maar je wordt er op zich niet slimmer van en kinderen laten geloven dat ze er slimmer van worden is helemaal uit den boze. Bewegingstussendoortjes worden best gepromoot en men moet blijven inzetten op meer bewegen in en buiten de klas, want er is wel degelijk een link tussen bewegen en leren. Recent neurowetenschappelijk onderzoek toont immers aan dat zeker langdurige en herhaalde fysieke inspanning kan leiden tot een verbeterde hersenfunctie, maar de resultaten zijn nooit zo spectaculair als beweerd wordt in commerciële bewegingsprogramma’s en eigenlijk is nog weinig geweten over wat de ideale duur, intensiteit en frequentie is van bewegingsoefeningen om een optimaal effect te hebben op onze hersenwerking. 

TAKE HOME

 

Op zich is er niet al te veel aan de hand bij het doen van een aantal coördinatie-oefeningetjes, ze zorgen voor een aangename verstrooiing, maar waak erover dat kinderen achteraf niet gaan denken dat ons brein werkt als twee kwabben die noodzakelijk met elkaar verbonden moeten worden om goed te werken

Mijn linkerhersenhelft is dominant, nee mijn rechter!

NIET WAAR.

Deze stelling vertrekt vanuit het idee dat sommige mensen meer zouden denken met hun rechterhemisfeer, andere mensen zouden dan weer meer denken meer met hun linker hemisfeer. Linkerdenkers zijn dan meer gericht op het rationele denken en strategieën uitdokteren. Rechterdenkers vertrouwen eerder op hun buikgevoel en zit bomvol creativiteit. Ons onderwijs zou te veel op linker rechterhersenhelft gebaseerd zijn.

 

Het idee van hersenhelftdominante stamt uit onderzoek in de jaren ’60 waarbij chirurgen als remedie tegen onbehandelbare epilepsie de connectie tussen de linker- en rechterhersenhelft doorsneden. Na deze operatie kon men ook elke hersenhelft apart testen en hierbij ontdekte men dat patiënten wel woorden konden benoemen die in het linkse gezichtsveld werden geprojecteerd, maar niet als deze woorden in het rechtse gezichtsveld werd geprojecteerd. Uit bovenstaande bevindingen leidde men al snel af dat ‘normale’ mensen, dus waarbij beide hersenhelften wel verbonden zijn, de neiging hebben de ene hersenhelft eerder te gebruiken dan de andere.

 

Neurowetenschappelijk onderzoek heeft intussen echter al lang aangetoond dat mensen voortdurend beide sterk met elkaar verbonden hersenhelften gebruiken. Dit geldt zeker voor het uitvoeren van de complexe vaardigheden die we binnen onderwijs aanspreken. De neuromythe ontstond omdat een gegeven bij een medische populatie te snel werd doorgetrokken naar gezonde leerlingen. Bij normale mensen kan de ene hersenhelft, bij geïsoleerde taken weliswaar iets vroeger meer activatie vertonen, maar al heel snel verspreidt dit zich over beide hersenhelften, en het verwerken van informatie gebeurt dus quasi simultaan, waardoor het voor een normale leerling niet mogelijk is selectief één hersenhelft te gebruiken. Ook beweging zal dus beide hersenhelften stimuleren, maar het is niet precies door specifieke bewegingsoefeningen te doen, dat er een meer optimale samenwerking zou ontstaan.

 

TAKE HOME

We verwerken complexe informatie steeds met beide hersenhelften!